Riool aansluiting

Het aansluiten van een woning (pand) of bedrijf op het gemeenteriool gebeurt via een riooluitlegger. Bij alle nieuwe aansluitingen op het gemeenteriool dien je hiervoor een aanvraag te doen.

Een aanvraag wordt in behandeling genomen zodra er duidelijkheid is over de locatie en het af te voeren (afval)water van het pand. Voldoet een aanvraag aan de voorwaarden? Dan wordt de aanvraag vrijwel altijd goedgekeurd. Binnen 4 tot 6 weken nadat de aanvraag bij Buha is binnengekomen, ontvang je een officiële toestemmingsbrief. In de meeste gevallen kan de werkelijke aansluiting al eerder plaatsvinden. In dat geval moet er wel eerst contact zijn geweest met een medewerker van Buha.

Klik hier om naar het digitale aanvraagformulier te gaan

Goed om te weten

Wat mag je aansluiten?

Wanneer je nieuw bouwt, uitbouwt of aanbouwt, mag je het rioolwater (vuilwater: douche, toilet etc.) aansluiten op de riolering van de gemeente. Voor een nieuwbouwwoning dien je hiervoor een rioolaansluitingsvergunning aan te vragen. Dit doe je door het aanvraagformulier rioolaansluting in te vullen.

Wat mag je niet aansluiten?

Hemelwater (regenwater) mag niet aangesloten worden op de riolering. Voor het hemelwater gelden andere regels. Het hemelwater moet op eigen terrein verwerkt worden en je bent als perceeleigenaar zelf verantwoordelijk voor het treffen van deze voorzieningen. Dit kan bijvoorbeeld met infiltratiekratten. Voor de eisen die er gesteld worden aan de infiltratievoorziening, kijk je bij 'aanvullende informatie'.

Wat kost het?

De kosten zijn afhankelijk van de locatie. In de meeste gevallen ligt er al een uitlegger van de gemeente waar op aangesloten kan worden. Ligt die er niet en zitten de kosten voor het leggen/aansluiten van een riooluitlegger niet bij de grondprijs in? Dan worden deze verrekend aan de hand van de werkelijk gemaakte kosten voor het leggen/aansluiten. Ook berekent Buha de kosten voor de voorbereiding en het toezicht.

Aanvullende informatie

Programma van eisen - Aanleg infiltratievoorzieningen

Het regenwater afkomstig van uw perceel mag niet worden afgevoerd naar de riolering, maar dient op een infiltratievoorziening te worden geloosd. Deze voorziening dient op het verkochte te worden gerealiseerd. In enkele gevallen kan het regenwater van de voorkant van de woning rechtstreeks op de openbare verharding worden geloosd. Koper dient bij verkoper informeren omtrent de te treffen maatregelen Daar waar zich bijzondere gevallen voordoen en dit Programma van Eisen niet in voorziet, dient dit in overleg met de gemeente te worden opgelost. Bedrijiven dienen altijd in overleg te treden met de gemeente, daar gelden specifieke eisen voor.

Aansluitbare oppervlakken

Op de infiltratievoorziening mogen alleen de afvoeren van het verharde oppervlak (daken en verhardingen)worden aangesloten.

Zand- en bladvang

Voorkomen moet worden dat de infiltratievoorziening voortijdig dichtslibt. Daarom moet er, voordat het regenwater de infiltratievoorziening bereikt, een voorziening worden aangebracht die bladeren, takjes, zwerfvuil en dergelijke en zand afvangt. Deze voorziening bestaat uit een blad- en een zandvang.

De bladvang mag in de dakgoot, in de regenpijp of in de grond worden aangebracht, mits regelmatig onderhoud hieraan mogelijk is en de constructie niet verwijderbaar is.

De zandvang moet minimaal bestaan uit een opvangbak waarvan de uitgaande leiding richting de infiltratievoorziening minstens 0,4 meter hoger ligt dan de bodem van de opvangbak. De opvangbak dient een capaciteit te bezitten van minimaal 20 liter.

Materiaalgebruik

Voor de infiltratievoorziening dienen alleen materialen te worden toegepast die niet uitloog- en/of afbreekbaar zijn en, bij normaal gebruik, een levensduur hebben van ten minste 40 jaar.

Afstand tussen voorziening en bebouwing

De afstand tussen de zijkant van de infiltratievoorziening en de fundering van woningen bedraagt minimaal 1,0 meter.

Sterkte van de voorziening

Wordt de voorziening aangelegd op een plaats die na het aanbrengen niet meer belast wordt door (bouw)verkeer en/of geparkeerde voertuigen, dan wordt hieraan geen nadere eis gesteld dan dat de voorziening niet onder de gronddruk mag bezwijken.

Vindt er wel een belasting plaats, of is de verwachting dat er een belasting zal gaan plaatsvinden, dan moet de voorziening een verticale druk van minimaal 0,05 N/mm2 kunnen weerstaan. Dit komt overeen met een wiellast van 1000 kg.

Aanleghoogte voorziening

De onderzijde van de infiltratievoorziening ligt ten minste op de berekende gemiddeld hoogste grondwaterstand.

Berging infiltratievoorziening

Bij een perceeloppervlak kleiner dan 500 m2 moet er een minimale berging in de infiltratievoorziening aanwezig zijn van 10 mm, gerekend over het aangesloten verharde oppervlak.

Bij een perceeloppervlak vanaf 500 m2 is de te realiseren berging in de infiltratievoorziening afhankelijk van de K-waarde (doorlatendheid) van de grond. Bij een K-waarde groter dan 1moet er ook minimaal 10 mm berging aanwezig zijn, gerekend over het aangesloten verharde oppervlak. Bij een K-waarde van 0,75 is deze berging 25 mm en bij een K-waarde van 0,5 is deze berging 40 mm.

Het aanbrengen van een regenton leidt niet tot reductie van de benodigde berging in de voorziening.

Filterdoek

Om dichtslibbing van buitenaf te voorkomen, moet de infiltratievoorziening omhuld worden met een non-woven filterdoek. Dit doek dient minimaal over een waterdoorlatendheid van 10 l/m2/s te beschikken. De O90 waarde van het doek moet 180 tot 400μm bedragen.

Contactvlak voorziening met omliggende grond

De infiltratievoorziening moet minimaal 0,01 m2 aan doorlaatopeningen per m2 dakoppervlak bezitten. Deze doorlaatopeningen moeten gedurende de gehele levensduur beschikbaar zijn en mogen dus niet dichtslibben.

Het filterdoek om de voorziening wordt niet als doorlaatremmend beschouwd, dat wil zeggen het heeft een doorlatendheid van 100%.

Waarborging infiltratiecapaciteit naar de ondergrond

De infiltratievoorziening moet een verbinding hebben, direct of indirect, met de vaste zandondergrond. Dit kan door de bestaande grondslag onder de voorziening te vervangen tot aan de vaste zandlaag door aanvulzand of door een verbinding te maken met een zandcunet onder bijvoorbeeld een achterpad, woonstraat of kruipruimte.

Ledigingstijd

De voorziening moet binnen 24 uur na het einde van de regenbui volledig geleegd zijn. Een voorziening die conform de in dit Programma van Eisen vermelde richtlijnen is ontworpen, zal aan deze eis voldoen.

Overstortvoorziening

Omdat bij de gestelde eisen met betrekking tot de benodigde berging de voorziening het wateraanbod in extreme gevallen niet kan verwerken, zal er een overstortvoorziening moeten worden aangebracht. Deze bestaat uit een overstortconstructie die maximaal 0,35 meter boven het maaiveld uitmondt, waarbij het overstortende water in de tuin terechtkomt.

Ontluchting

Eventueel ingesloten lucht moet via een ontluchtingsconstructie de voorziening kunnen verlaten.

Inspectieopening

De voorziening moet zijn voorzien van minstens één inspectieopening aan de bovenzijde van de voorziening. Deze opening kan bestaan uit een pvc Ø 125 mm buis die aan de bovenzijde is afgesloten met een afdekdop die, bij aanleg van de voorziening in de tuin, net onder het maaiveld is gelegen maar wel eenvoudig bereikbaar is.

Aanvulzand

Rondom de voorziening dient zand aanwezig te zijn dat voldoet aan de eisen voor draineerzand zoals vermeld in artikel 22.06.02 van de Standaard RAW-Bepalingen 2015. Indien dit zand niet aanwezig is, dan rondom de voorziening, met uitzondering van de bovenzijde, minimaal 30 cm zand aanbrengen.

Gronddekking

De voorziening moet aan de bovenzijde worden afgedekt met ten minste 0,40 meter grond. Indien de voorziening in de kruipruimte wordt toegepast, behoeft de grond-dekking niet meer dan 0,20 meter te bedragen.

Tijdstip aanleg voorziening

Na aanleg moet de voorziening worden beschermd tegen het overrijden door shovels, (vracht)auto's, kranen en dergelijke, het dichtrijden van de omliggende grond en het dichtslibben als gevolg van onder meer zand en licht bouwafval.

Wordt de voorziening in de kruipruimte aangelegd, dan gelden er geen eisen met betrekking tot het tijdstip van aanleg.